V.O.C

Verenigde Oostindische Compagnie

HET LEVEN AAN BOORD

De omstandigheden aan boord van de VOC-schepen waren bijzonder slecht. Ziekten en andere levensbedreigende gevaren bepaalden leven en dood aan boord. De betaling was zeker niet genoeg om een gezin te onderhouden. Bijna 2/3 van de uitgevaren matrozen en soldaten kwam door allerlei oorzaken niet meer terug en het leven met de anderen aan boord was geen pretje. "Er bestond nu eenmaal geen bandelozer dier dan een matroos. Zij rooven en stelen, drinken en hoerjagen zoo schandig, dat het bij hen geen schande schijnt te wezen."
Vanaf het midden van de 17e eeuw stagneerde de economie en werd het vinden van werk een probleem. Tot het einde van de zeventiende eeuw steeg de werkgelegenheid in de scheepvaart nog, maar daarna stagneerde de ontwikkeling ook in deze sector. Opvallend was echter de blijvende groei van de werkgelegenheid bij de VOC, die pas rond 1770 terug begon te lopen. Reden voor vele werklozen om het wervingskantoor van de VOC scherp in de gaten te houden, om er zo snel mogelijk bij te kunnen zijn als er schip bemand moest worden.


HERKOMST VAN DE BEMANNING

De VOC was de grootste werkgever in de zeevaart. Dit aandeel werd in de loop van de 18e eeuw zowel absoluut als relatief groter. Na 1650 nam de bevolking van de kustprovincies Holland en Zeeland af, terwijl er juist meer zeevarenden nodig waren. Volgens Bruijn vallen twee aspecten daarbij op. A) de buitenlanders B) Het overwicht van de zeeprovincies als recruteringsgebieden van de Republiek. Vanaf de beginjaren maakten buitenlanders deel uit van de bemanningen op de Oostindievaarders. Na 1740 werd hun aandeel minstens even groot als het aandeel van de bemanning dat afkomstig was uit de Republiek. Daarnaast veranderden de herkomstgebieden. Kwamen de meeste buitenlanders voor 1675 uit Noorwegen, Zweden, Denemarken, de Duitse Noordzeekust en het Baltische gebied, na deze tijd nam hun aandeel verhoudingsgewijs af. Ze kwamen steeds meer uit de dieper landinwaarts gelegen streken van Duitsland. Uit de databasegegevens van het schip "De Leyden" blijkt dat van de 65 Duitsers aan boord ongeveer de helft uit deze gebieden afkomstig waren. Er waren tevens 16 personen aan boord die uit Pruisen kwamen. Vanwege onduidelijkheden over de geografische herkomst van sommige personen zijn deze aantallen niet absoluut te noemen.
Ook uit het midden en zuiden van Europa kwamen de VOC-zeelieden en –soldaten. Ad B) Zo’n driekwart van de bemanningsleden uit de Republiek was afkomstig uit het gewest Holland, het overgrote deel uit de Hollandse steden. Dit is opvallend omdat naarmate de stadsbevolking afnam er meer stedelingen werden gerecruteerd.
Het zijn ongetwijfeld weesjongens, paupers en mensen uit de tuchthuizen geweest die aanmonsterden op de schepen van de Compagnie. De Compagnie wierf dus steeds meer onbevaren en fysiek slecht toegeruste mannen. Het wekt geen verwondering dat er mensen waren die van de mogelijkheden gebruik maakten om als ‘bemiddelaar’ op te gaan treden tussen VOC en scheepspersoneel. Berucht waren de zogenaamde zielverkopers (of volkhouders). Deze lieden vingen de werkzoekenden op en gaven hen voedsel en onderdak (vaak was de logementhouder tevens herbergier) tot de tijd dat er een VOC-schip uitgereed werd. Lukte de aanmonstering dan zorgde de volkhouder voor een zeemanskist (gevuld met brandewijn, tabak, schoenen, kleren en naaigerei), dit in ruil voor een dubbele maandgage. Zie verder de tekst over aanmonstering


DE TAKEN VAN DE BEMANNING AAN BOORD

In de achttiende eeuw bedroeg het aantal opvarenden van een schip tussen de 180 en 230. Ongeveer een derde van deze opvarenden waren mensen die als passagier meegingen. Kooplieden, ambachtslieden, ambtenaren en soldaten. De grootste groep aan boord werd gevormd door de bemanning. Uiteraard was de schipper of kapitein de hoogste man aan boord maar tot 1742 was in theorie de opperkoopman degene met de hoogste positie. Hieruit blijkt dat de handel voor de VOC op de eerste plaats stond. De officieren, zoals de stuurlieden waren verantwoordelijk voor de navigatie. Tot de onderofficiersfuncties behoorden de onderstuurlieden. De hoogbootsman had het toezicht op het staande en lopende want (de voortstuwing) van het schip, met name met dat van de grote mast. De hoogbootsmansmaat was verantwoordelijk voor de bazaansmast, terwijl de schieman de zorg droeg voor de fokkemast. De schiemansmaat was de helper van de schieman en had speciale verantwoordelijkheid voor de boegspriet. De kwartiermeesters stonden tussen de groepen matrozen en de bootslui in. Zij hadden de directe controle over de manschappen, deelden het eten uit en zagen toe op de orde tijdens het schaften. Zij waren dan baksmeester. Voor het onderhoud van het schip waren er mensen mee zoals zeilmakers en timmerlieden. Kuipers hielden toezicht op het openen van de kuipen, vaten en dergelijke en zo nodig voerden zij hieraan reparaties uit. De kuipers werkten onder de bottelier, die zich bezig hield met de distributie van voedsel en drank onder andere aan de kok en zijn maat, die de gehele bemanning van voeding moest voorzien. De matrozen deden het overgrote deel van het scheepswerk, terwijl de soldaten moesten helpen indien dit noodzakelijk was. Deze soldaten die meevoeren waren bestemd voor dienst in Azi. Voor hen gold de reis dus als overtocht. De tamboer of trompetter gaf signalen bij de wisseling van de wacht. De scheepsjongens – tussen 10 en 16 jaar oud – verrichtten aan boord allerlei karweitjes. De zorg van orde en tucht aan boord was toevertrouwd aan de provoost.

BESTRAFFINGSMETHODEN

Er waren twee soorten straffen: geldboete en lijfstraf. De straffen werden in het algemeen door de Scheepsraad, de Brede Raad of de Krijgsraad uitgedeeld. De Scheepsraad hield zich bezig met lichte lijfstraffen en geldboeten. Kapitale of criminele vergrijpen werden beoordeeld door de Brede Raad, welke werd gevormd door de Scheepsraad van het commandeursschip en de gezamenlijke kooplieden, schippers, onderkooplieden en opperstuurlieden van de vloot. Vergrijpen die waren gepleegd door soldaten werden door de Krijgsraad behandeld. Geldboeten werden meestal opgelegd via verbeurdverklaring van n of meer maandgelden. De lijfstraffen verschilden naar de aard van het vergrijp. Zo kende men opsluiting op water en brood, kastijding, geseling of het vastnagelen van de hand aan de mast met een mes. Het aan de ra lopen hield in dat men de gestrafte met een touw aan de ra bond, hem met lood verzwaarde en hem dan twee tot drie maal vanaf dit hoge punt in het water liet storten. Meestal werd dit gevolgd door het laarzen : het slaan van de veroordeelde met een knots of een dik touw. Bij ernstige misdrijven ging men over to het kielhalen van de betreffende persoon; waarbij deze drie maal onder de kiel van het schip werd getrokken. In andere gevallen kwam het voor dat de opvarende met wat voedsel en water op de eerste de beste kust aan land werd gezet en aan zijn lot werd overgelaten. Op muiterij (werkweigering of een machtsgreep) stond de doodstraf door ophanging aan de mast of door fusillering.


ZORG AAN BOORD

De geestelijke zorg was in handen van een krankbezoeker of ziekentrooster. De chirurgijn was met de medische zorg belast. Het werk aan boord was zwaar en ongezond. Aan boord heersen verschillende soorten zieken. Uitputtingsziekten door gebrek aan goede voeding, aan water waren aan de orde van de dag. Ook kwmaen besmettelijke ziekten voor zoals geslachtsziekten, longontsteking en tbc. Sinds 1730 kwam ook vlektyphus voor, die grote delen van de bemanning kon uitroeien. In de jaren 1770-1775 stierf bijvoorbeeld gemiddeld 23% van de opvarenden tijdens een reis naar Indi. Naast ziekten waren er vele andere oorzaken van sterfte zoals bedrijfsongevallen, gevechten en schipbreuk.


Naar boven